Wijnstreek Champagne
Geschiedenis Champagne streek
Het waren de Romeinen, die de wijnbouw naar de noordelijkste wijnstreek van Frankrijk brachten.
Vanaf het jaar 300 zien we dat de rode en witte wijnen uit het Champagne gebied geliefd zijn bij de Romeinse wijndrinkers. Ook na de val van het Romeinse Rijk in de 5de eeuw bleven de wijnen populair. Door de gunstige ligging en goed handelsmogelijkheden via de rivier de Mame, was er een grote afzetmarkt voor de wijnen.
Nadat Hugo Capet in 987 in Reims tot koning van Frankrijk werd gekroond, verkreeg het de naam van de kerkelijke hoofdstad van Reims. De laatste koning die zich liet kronen was Karel X in 1825. Door de heilige status van Reims gaven de koningen veel geld aan de streek, wat ook ten goede kwam aan de wijnbouw.
In 1654 besteeg Lodewijk de XIV de kroon en kreeg wijn uit de Champagne te drinken. Dit beviel hem zozeer, dat gedurende zijn zestig jarig bewind de zonnekoning bijna geen andere wijn dronk, zijn lievelingswijn was rode Bouzy.
In de 17de eeuw kwamen belletjeswijnen in Engeland en later bij de Franse adel in de mode. Het ontstaan van de mousse in de wijn heeft te maken met de noordelijke ligging van de streek en daarmee samenhangend het late oogsten van de druiven. De gisting van de wijnen stopte door het invallen van de winter. Bij het stijgen van de temperatuur in het voorjaar ging de wijn verder met gisten. De koolzuur kon niet uit het vat of de fles ontsnappen en gaf de wijnen zijn bubbels.
De Engelsen gebruikten extra sterke flessen, maar bij de Fransen zorgde de ontstane koolzuurdruk voor veel scherven. Het was Dom Perignon, eind 17de eeuw keldermeester van de Abij van Haulvillers die samen met zijn collega Dom Oudart, keldermeester van de Abij van Saint-Pierre-auxMonts, die aanzet gaven voor wat nu de moderne Champagne industrie is. Sterke flessen, echte kurken en een goede vermenging van de stille wijnen om een constante kwaliteit te verkrijgen, werden verplicht voor de wijnmakers.
In de 19de eeuw vond er een industrialisatie plaats. Twee vernieuwingen vervolmaakten de Champagne. Door de uitvinding van de suikermeter in 1836 kon men precies de hoeveelheid suiker meten, die moest worden toegevoegd om de wijn mousserend te maken, zonder dat er teveel druk in de fles ontstond met kans op ontploffing.
Een andere uitvinding, gedaan door keldermeester van de weduwe Cliqout, was de pupitre. In deze rekken met gaten werden de flessen met de hals naar beneden geplaats, zodat door middel van draaien en zachtjes schudden het depot naar de hals werd gedreven. Tot 1850 bestonden er alleen zoete Champagnes, daarna komen de drogere types op de met groot succes markt.
De wijnbouwers zagen na 1890 hun inkomen drastisch dalen door verwoesting van de wijngaarden door druifluis. Na het herstel volgde de Eerste Wereldoorlog en economische slechte tijden. Het gevolg was dat de druiventelers, die hun druiven verkochten aan de Champagne huizen, geen brood op de plank hadden. Aan deze situatie kwam in 1934 een eind, toen de Champagne huizen de prijs van een kilo druiven zes keer zo duur maakten. Met deze maatregel werd de Champagne wijnbouw gered. Vanaf de jaren 1950 is dit alles uitgegroeid tot de meest vermaarde mousserende wijn van de wereld.


